Hervorming vennootschapsbelasting: minimum bedrijfsleidersbezoldiging van 45.000 euro vereist voor verlaagd tarief en vermijden van nieuwe afzonderlijke aanslag

Nieuwe wet is niet altijd even duidelijk

Nieuw verlaagd tarief en nieuwe afzonderlijke aanslag

Verlaagd tarief

Voor het aanslagjaar 2019 bedraagt het normale tarief in de vennootschapsbelasting 29,58% (voorheen 33,99%). Het tarief zal verder dalen naar 25% in de komende jaren.

Kleine vennootschappen die aan een aantal voorwaarden voldoen, kunnen genieten van een verlaagd tarief: zij betalen in aanslagjaar 2019 nog slechts 20,40% op de eerste schijf van 100.000 euro van hun belastbaar resultaat. Voor het overige geldt het normale tarief van 29,58%.

Eén van de voorwaarden betreft de toekenning van een minimale bedrijfsleidersbezoldiging. De vennootschap moet aan ten minste één van haar bedrijfsleiders een bezoldiging toekennen die:

  • ofwel minimaal 45.000 euro[1] bedraagt,
  • ofwel ten minste gelijk is aan het belastbaar resultaat van de vennootschap.

Is de bezoldiging te laag, dan verliest de vennootschap het verlaagd tarief van 20,40%.

Afzonderlijke aanslag van 5,1%

Er is echter een tweede ‘sanctie’ indien de bedrijfsleidersbezoldiging te laag is.

Indien een vennootschap nalaat de minimumbezoldiging te betalen aan tenminste één bedrijfsleider, dan zal zij op het ‘tekort’ een afzonderlijke aanslag van 5,1% ondergaan.[2] Die afzonderlijke aanslag zal zelfs stijgen naar 10% vanaf aanslagjaar 2021.

Een kleine pleister op de wonde:  de afzonderlijke aanslag is wel fiscaal aftrekbaar.

Concrete gevolgen van de Dubbele sanctie

Indien er geen of onvoldoende bedrijfsleidersbezoldiging wordt uitbetaald terwijl de vennootschap voldoende winst maakt, kan de fiscale kostprijs serieus oplopen:

  • extra vennootschapsbelasting, die bovendien niet aftrekbaar is, van maximaal 9.180 euro (9,18% van 100.000 euro) wegens toepassing van het standaardtarief i.p.v. het verlaagd tarief; en,
  • een bijkomende, weliswaar aftrekbare, afzonderlijke aanslag van maximaal 2.295 euro (t.w. 5,1% van 45.000 euro).

Het hoeft dus geen betoog dat het niet naleven van deze nieuwe maatregel verstrekkende financiële gevolgen kan hebben.

Aan welke bedrijfsleider betalen?

De vennootschap moet de minimumbezoldiging uitbetalen aan “minstens één” van haar “bedrijfsleiders”.

Met “bedrijfsleiders” worden de natuurlijke personen bedoeld die binnen de vennootschap een bestuursfunctie of een leidinggevende functie buiten arbeidsovereenkomst uitoefenen.

Is er één bedrijfsleider natuurlijke persoon, dan is het eenvoudig: deze moet de minimumbezoldiging ontvangen.

Zijn er meerdere bedrijfsleiders, dan is het noodzakelijk maar ook voldoende dat één van hen de minimumbezoldiging ontvangt. Men mag de bezoldigingen van de verschillende bedrijfsleiders met andere woorden niet optellen.

MAAR …. wat met vennootschap-bestuurders?

Er kunnen zich in de praktijk problemen voordoen indien een vennootschap enkel (management)vennootschappen als bestuurders heeft.

De wettekst laat ruimte voor meerdere interpretaties.

De fiscus heeft in het verleden[3] gesteld dat alleen vergoedingen die betaald worden aan natuurlijke persoon-bestuurders meetellen voor de beoordeling van de minimumbezoldiging.

Betekent dit dat vennootschappen met enkel vennootschap-bestuurders steeds de afzonderlijke aanslag van 5,1% moeten betalen, bij gebrek aan de mogelijkheid om een natuurlijke persoon-bestuurder te bezoldigen?

Indien deze vraag bevestigend zou worden beantwoord, zou dit leiden tot zeer ongewenste effecten bij (familiale) KMO’s, in het bijzonder wanneer in de bestuursorganen van de werkvennootschappen enkel managementvennootschappen actief zijn. Nochtans is een dergelijke structurering logisch, transparant en algemeen aanvaard.

Dit lijkt ons dan ook geen correcte interpretatie. Er zijn volgens ons goede argumenten om te stellen dat vennootschappen met enkel vennootschap-bestuurders buiten het toepassingsgebied van de afzonderlijke aanslag vallen. De tekst van de wet laat deze interpretatie zeker toe en bovendien ligt deze interpretatie veel meer in lijn met het doel van de wet.

Het is evenwel niet uitgesloten dat de fiscus een ander standpunt inneemt.

Wij hebben uit goede bron vernomen dat omtrent dit toch wel belangrijk discussiepunt een vraag zal gesteld worden aan de Minister van Financiën. Het valt te hopen dat zijn antwoord duidelijkheid brengt.

Conclusie

Een goede planning en timing van bedrijfsleidersbezoldigingen is nu belangrijker dan ooit, gezien de dubbele sanctie: verlies van het verlaagd tarief én toepassing van de afzonderlijke aanslag van 5,1%.

Er zijn bovendien nog belangrijke onduidelijkheden, die hopelijk snel opgelost raken.

Datum: 12/02/2018. Deze nieuwsbrief is louter informatief en dient niet beschouwd te worden als een juridisch advies. Voor uw vragen of een juridisch advies kan u contact opnemen met ons kantoor.

 

[1] Indien de bedrijfsleider actief is bij verschillende verbonden vennootschappen, bestaat er een bijzondere regeling waardoor het volstaat dat hij globaal 75.000 euro als bezoldiging ontvangt en dus niet 45.000 euro per vennootschap.

[2] Met een uitzondering voor starters.

[3] In het kader van het ‘vorige’ verlaagd tarief dat van toepassing was voor de belastinghervorming.

 Onze experten in fiscaliteit: David Engelbos, Astrid Swennen, Jonas Peeters en Tim Vandeweyer.

Onze experten in fiscaliteit: David Engelbos, Astrid Swennen, Jonas Peeters en Tim Vandeweyer.