Wijzigingen aan de maatschap in het licht van het nieuwe vennootschaps- en ondernemingsrecht

De burgerlijke maatschap vormt, in combinatie met een schenking, een populair instrument om roerend vermogen over te dragen naar de volgende generatie zonder de controle over dit overgedragen vermogen te verliezen.

De maatschap is een personenvennootschap zonder rechtspersoonlijkheid die men eenvoudig kan oprichten door een (onderhandse) overeenkomst en dit zonder aan enige publicatieverplichting onderhevig te zijn, zodat de maatschap een quasi anoniem bestaan kan leiden. Zij kan een burgerlijk doel hebben (burgerlijke maatschap) of economische of commerciële doeleinden nastreven (commerciële maatschap).

Door de hervorming van het ondernemingsrecht, de nieuwe insolventieregels en het aangekondigde nieuwe Wetboek voor Vennootschappen en Verenigingen (WVV) zal de (oprichting van de) maatschap aan heel wat nieuwe regels onderworpen worden. Hieronder lichten wij graag de belangrijkste toe.

Het nieuwe ondernemingsrecht

Op 1 november 2018 zal de hervorming van het ondernemingsrecht in werking treden[1], waardoor de volgende organisaties voortaan als ondernemingen worden beschouwd:

  • Iedere natuurlijke persoon die zelfstandig een bedrijfsactiviteit uitoefent;

  • Iedere rechtspersoon;

  • Iedere andere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid.

De aard van activiteiten van de maatschap zal m.a.w. niet langer bepalen of een maatschap al dan niet als een onderneming wordt beschouwd.

De kwalificatie van iedere maatschap als onderneming heeft een aantal belangrijke gevolgen:

  1. Voortaan zal de ondernemingsrechtbank – de voormalige rechtbank van koophandel – bevoegd zijn voor alle geschillen tussen maatschappen en/of andere ondernemingen;

  2. Iedere nieuwe maatschap zal zich vanaf 1 november 2018 moeten inschrijven bij de Kruispuntbank van Ondernemingen. Bestaande maatschappen beschikken over een termijn van zes maanden vanaf de inwerkingtreding van de hervorming om zich in te schrijven;

  3. De maatschap wordt boekhoudplichtig. Indien de omzet minder dan 500.000 euro bedraagt, volstaat een vereenvoudigde boekhouding, die bestaat uit (ten minste) het financieel dagboek, een inkoopboek en een verkoopboek. Eénmaal per jaar moet ook een inventaris opgemaakt worden met alle bezittingen, vorderingen, schulden en verplichtingen. Op basis van de dagboeken en de inventaris wordt een jaarrekening opgemaakt, die echter niet neergelegd & gepubliceerd dient te worden;

  4. Alle maten zullen voortaan hoofdelijk aansprakelijk zijn voor schulden van de maatschap. Aangezien het onderscheid tussen commerciële en burgerlijke maatschappen wordt opgeheven, wordt het aansprakelijkheidsregime dat op heden enkel van toepassing is op de maten van een commerciële maatschap, uitgebreid. De maatschap en de maten zullen enkel van kunnen afwijken van de hoofdelijke aansprakelijkheid door een uitdrukkelijk beding met de schuldeisers.

Als gevolg van de nieuwe insolventieregels[2], die in werking zijn getreden op 1 mei 2018, zal de maatschap bovendien failliet verklaard kunnen worden of het voorwerp kunnen uitmaken van een procedure van gerechtelijke reorganisatie. Indien er een procedure wordt opgestart tegen de maatschap zullen voortaan alle (gekende) vennoten in de procedure betrokken moeten worden.

Het nieuwe wetboek vennootschappen en verenigingen

In het aangekondigde wetboek voor vennootschappen en verenigingen zal de maatschap naar voren worden geschoven als het typevoorbeeld voor vennootschapsvormen waarin de vennoten onbeperkt aansprakelijk zijn voor de verbintenissen van de vennootschap (“personenvennootschappen”).

Voor het overgrote deel worden de bewoordingen en artikels uit het huidige Wetboek van Vennootschappen overgenomen. Een aantal wijzigingen / uitdrukkelijke bevestigingen zijn:

  1. De maatschap is  - naast de coöperatieve vennootschap - de enige vennootschapsvorm die nog opgericht moet worden met minimum twee personen. Voor de andere vennootschapsvormen wordt het eenhoofdig oprichten of bestaan mogelijk;

  2. Het blijft mogelijk om bepaalde beslissingen te nemen met een (gekwalificeerde) meerderheid in plaats van eenparigheid, met dien verstande dat er aan het essentiële voorwerp van de vennootschapsovereenkomst niet op deze wijze mag worden geraakt;

  3. De maten zijn persoonlijk en hoofdelijk gehouden met hun eigen vermogen ten aanzien van schuldeisers van de maatschap. Persoonlijke schuldeisers van een maat kunnen enkel verhaal halen op het aandeel van de maat en de winsten die aan hem zijn uitgekeerd;

  4. Het blijft mogelijk om een voortzettingsbeding of verblijvingsbeding op te nemen in de oprichtingsakte of de statuten van de maatschap. Een dergelijk beding heeft tot gevolg dat de maatschap niet zal worden ontbonden bij het overlijden van één van de maten zoals bepaald wordt door het huidig art. 39, 3° van het Wetboek van Vennootschappen. Er rees discussie of dergelijke continuïteitsclausules als een toegelaten erfovereenkomst beschouwd moeten worden, waardoor alle bijhorende formaliteiten van toepassing zouden zijn (art. 1100/1, §3 en art. 1100/5 B W). In dat geval zou bv. de oprichting van de maatschap niet meer bij overeenkomst kunnen gebeuren, maar moet een notariële akte worden opgemaakt. Een amendement op het nieuwe erfrecht zorgt er evenwel voor dat de dergelijke continuïteitsclausules onder de toegelaten erfovereenkomsten sorteren en onderhands afgesloten kunnen worden[3].

Conclusie

De maatschap werd vroeger vaak opgericht om op een anonieme manier familiaal vermogen over te dragen naar de volgende generatie, maar dit zal door de voormelde wijzigingen niet meer mogelijk zijn. Als gevolg van de inschrijving in de Kruispuntbank der Ondernemingen zal iedereen voortaan kunnen verifiëren of een maatschap werd opgericht.

De gevolgen op vennootschapsrechtelijk vlak zijn eerder beperkt en bevestigen voornamelijk de principes van het vroegere Wetboek van Vennootschappen.

 

[1] Wet van 15 april 2018 houdende hervorming van het ondernemingsrecht, BS 27 april 2018.

[2] Wet van 11 augustus 2017 houdende invoeging van het boek XX “Insolventie van ondernemingen”, BS 11 september 2017.

[3] Wetsvoorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat het huwelijksvermogensrecht betreft en tot wijziging van diverse andere bepalingen terzake, DOC 2848/004: nieuw art. 1000/1 §3 en §4 BW.

 

Datum: 03/07/2018. Deze nieuwsbrief is louter informatief en dient niet beschouwd te worden als een juridisch advies. Voor uw vragen of een juridisch advies kan u contact opnemen met ons kantoor.

 Astrid Swennen.

Astrid Swennen.

 Leen Wetsels

Leen Wetsels

Embed Block
Add an embed URL or code. Learn more